Dutch Muscle Cars & Dragracers

Veiligheid & Technische reglementen

Algemene Veiligheid- en Technische Reglementen 2004

*Alle tekeningen zijn te vinden op de KNAF cd-rom; of op te vragen via Dhr. T Willemse.


MEDEDELING EXPLOSION ORGANISATIE:

Alle aspecten omtrent veiligheid en techniek moeten worden gehanteerd uit het NHRA en MSA Rulebooks 2003. Deze boeken vormen dan ook de basis en leidraad voor de veiligheid in de drag race sport. Deze algemene reglementen zijn vertaald uit het NHRA reglementenboek 2002 en MSA Rulebook 2003.

De organisatie raadt iedereen aan, alvorens deze Nederlandse teksten te lezen, om de Engelse teksten te raadplegen. Bij conflicten verwijzen wij dan ook naar de originele reglementen van MSA .

Artikel 0 SFI TABEL

Artikel 1 MOTOR

1:1 Koelsysteem

1:2 Motor

1:2:1 Wankel motor

1:3 Uitlaat

1:4 Dampschermen

1:5 Brandstoftanks

1:5:1 Intercooler

1:6 Diesel

1:6:1 FIA Fuel Specification

1:7 Vloeistofoverloopinrichting

1:8 Methanol

1:9 Nitro-oxide

1:10 Olie-systeem

1:11 Propyleen-oxide

1:12 Supercharger

1:13 Supercharger beveiligingsbanden

1:14 Gaspedaal

1:15 Ontluchtingsaansluiting

Artikel 2 AANDRIJFINRICHTING

2:1 Opvanginrichting

2:2 Asborging middelen

2:3 Koppeling

2:4 Aandrijving

2:5 Vliegwiel

2:6 Vliegwiel- en carterbescherming

2:7 Vliegwielbescherming TF en FC

2:8 Vliegwielbescherming TMD en TMFC

2:9 Vliegwielbescherming Pro Stock, Pro Mod en Competition Eliminator

2:10 Vliegwielbescherming overige klassen

2:11 Achterkant

2:12 Versnellingsbak

2:13 Versnellingsbak met niet standaard planeetwielen

2:14 Automatische versnellingsbak

Artikel 3 REMMEN EN VERING

3:1 Remmen

3:2 Schokbrekers

3:3 Besturing

3:4 Vering

3:5 Traction-bars

3:6 Wheeliebars

Artikel 4 FRAME

4:1 Afstelling

4:2 Ballast

4:3 Beschermingsplaat

4:4 Frames

4:5 Grondspeling

4:6 Röntgencertificaten

4:7 Bevestigingsmiddelen

4:8 Parachutes

4:9 Pinionondersteuning

4:10 Rolbar

4:11 Rolkooi

4:12 Wielbasis

Artikel 5 VELGEN EN BANDEN

5:1 Banden

5:2 Velgen

Artikel 6 INTERIEUR

6:1 Bestuurderscompartiment

6:2 Bekleding en stoelen

6:3 Raamnet

Artikel 7 BODY

7:1 Reclame

7:2 Spoilers en vleugels

7:3 Wedstrijdnummers

7:4 Spatborden

7:5 Schutbord

7:6 Vloeren

7:7 Dakspoiler

7:8 Voorspoiler

7:9 Voorruit en ramen

Artikel 8 ELEKTRICITEIT EN BEDIENING

8:1 Accu

8:2 Vertragingsunit

8:3 Ontsteking

8:4 Hoofdonderbreker

8:5 Starten

8:6 Achterlichten

Artikel 9 HULPMIDDELEN

9:1 Computer

9:2 Datarecorder

9:2a Telemetrie

9:3 Brandblussers

9:4 Krikken en krikstanden

9:5 Lifthulpen

9:6 Groot formaat trailers

9:7 Gasflessen

9:8 Aanduwen

9:9 Sleepwagen

9:10 Portofoon

9:11 Opwarmen

Artikel 10 RIJDER

10:1 Uitrusting

10:2 Uiterlijk

10:3 Armbeveiliging

10:4 Papieren

10:5 Rijders veiligheidsgordels systemen

10:6 Hoofdbescherming

10:7 Helmen en brillen

10:8 Halskragen

10:9 inzittenden

10:10 Beschermende kleding

10:11 Veiligheidsgordels

ALGEMEEN REGLEMENT

Elke wagen, ongeacht welke klasse of categorie, moet goedgekeurd worden door de keurmeester voordat aan de wedstrijd mag worden deelgenomen. Dit geldt ook bij testsessies.

In dit reglement wordt een aantal keer verwezen naar bepaalde producten die voldoen aan specificaties, zoals bijvoorbeeld SFI specificaties, SNELL en DOT. Het is belangrijk te weten dat deze producten onder geen enkele voorwaarden mogen worden aangepast omdat ze dan niet meer aan deze specificatie voldoen en niet worden goedgekeurd.


Artikel 0 SFI TABEL

GSR 0:1 Expiration Periods SFI Specifications, Quick-Guide

Expiration Period

SFI Spec. Number

Description

Pro Mod & Adv. ET

FIA Classes

All Other Clases

1.1

Single Disc Clutch & Flywheel Assembly

1.2

Multi-Disc Clutch & Flywheel Assembly

2 years

2 years

4 years

1.3

Multi-Disc Clutch & Flywheel Assembly TMFC, TMD, FC & TF

1 year

1 year

1 year

1.4

Multi-Disc Clutch & Flywheel TMFC & TMD

1 year

1 year

1 year

1.5

Multi-Disc Clutch & Flywheel, Supercharged, Turbocharged, Nitrous charge door cars

1 year

1 year

1 year

2.2A

Front engine Dragster Chassis Spec., ET 1, TMD & TF

1 year

1 year

2.2B

Front Engine Dragster Chassis Spec., Comp A/D, B/D, AA/D, BB/D & BN/D

1 year

3 years

2.3K

Rear Engine Dragster

1 year

2 years

2.3K

Rear Engine Dragster, TMD & TF (including wing & rear mounting)

1 year

1 year

2.3K

Rear Engine Dragster, Comp A/D, B/D, AA/D, BB/D & BN/D (does not include wing & rear end mounting)

1 year

3 years

2.4A

Front Engine Dragster Spec. ET 1 cars 7.49 sec. or quicker

1 year

3 years

2.5

Rear Engine Dragster Spec. ET 1 cars 7.49 sec. or quicker

3 years

2.6

Front Engine Dragster Spec. ET 1 cars 7.50 sec. or slower

3 years

2.7

Rear Engine Dragster Spec. ET 1 cars 7.50 sec. or slower

3 years

3.2A/1

Jacket

3.2A/5

Jacket and Pants

3.2A/15

Jacket and Pants or Suit

3.2A/20

Driver Suit

3.3

Neck Collar and Head Sock

3.3/1

Gloves, Shoes

3.3/5

Gloves, Shoes, Boots

3.3/15

Gloves, Boots

4.1

Automatic Transmission Shield, Rigid

5 years

5 years

10 years

4.1

Automatic Transmission Shield, Flexible

5 years

5 years

5 years

6.1

Flywheel Shield, Spec. 1.1 & 1.2 (2 disc max.) Clutch

5 years

5 years

5 years

6.2

Flywheel Shield, Spec. 1.2, 1.3 & 1.4 Clutch (check with Manufacturer, may be only 1 year

2 years

See FIA Regs

2 years

6.3

Flywheel Shield, Spec. 1.2, 1.3, 1.4 & 1.5 Clutch (check with Manufacturer, may be only 1 year

2 years

See FIA Regs

2 years

7.1

Lower Engine Ballistic/Restraint Device

1 year

See FIA Regs

1 year

10.1D

Funny Car, Altered & Front Engine Dragster Chassis Spec., ET 1 cars Comp A/A, B/A, AA/A, BB/A, AT/A & BT/A

1 year

See FIA Regs

2 years

14.1

Supercharger Restraint (Roots)

4 years

14.2

Supercharger Restraint (Roots)

2 years

See FIA Regs

4 years

14.21

Supercharger Restraint (Screw type)

See FIA Regs

14.3

Supercharger Restraint Top Fuel & Funny Car

See FIA Regs

14.4

Valve cover Restraint

Expiration Period

SFI Spec. Number

Description

Pro Mod & Adv. ET

FIA Classes

All Other Clases

15.1

Rear Drive Wheels, TMD, TMFC, PS, PM

15.2

Front Wheels

15.3

Rear Wheels

16.1

3-inch Driver Restraint System

2 years

See FIA Regs

2 years

18.1

Harmonic Balancer

23.1

Manifold Burst Panel

25.1D

SFI Full Body Chassis Spec. Pro Stock, Pro Mod, ET 1 cars Comp A/A, B/A, AA/A, BB/A, AT/A & BT/A

1 year

See FIA Regs

2 years

27.1

Window Net (Mesh or Ribbon)

2 years

See FIA Regs

2 years

28.1

Fuel Cell

29.1

Automatic Transmission Flexplate

3 years

See FIA Regs

3 years

30.1

Automatic Transmission Flexplate Shield

5 years

See FIA Regs

5 years

31.1A

Open Face Helmet SNELL SA Rating

31.2A

Full Face Helmet SNELL SA Rating

34.1

Supercharger, Screw type

See FIA Regs

40.1/1

Motorcycle Riders Suit

40.1/2

Motorcycle Riders Suit

41.1A

Open Face Helmet SNELL M Rating

41.2A

Full Face Helmet SNELL M Rating

42.1

Steering Wheel Hub

45.1

Roll Bar/Cage Padding

Class rules and General Safety Rules have always priority over this quick-quide.


Artikel 1 MOTOR

1:1 Koelsysteem

Alle radiatoren moeten op de standaardlocatie worden aangesloten die voor dat type auto worden gebruikt. Dragsters met voorliggende motor moeten het koelsysteem vóór de motor plaatsen. Achterliggend gemonteerde motoren met ervoor gemonteerde radiatoren dienen de radiator over de gehele lengte af te schermen zowel aan de zijkant als aan de bovenkant. Zie algemeen reglement 4:3.

1:2 Motor

Alle klassen mogen alleen standaard geproduceerde motoren gebruiken mits in de klassenvoorschriften anders aan gegeven. Deelnemers die in een gewicht – cilinderinhoud klasse uitkomen moeten de cilinderinhoud juist vermelden. De cilinderinhoud mag bij nameting maximaal 5 kubieke inches teveel meten ook als er overmaatse zuigers worden toegepast. Bij nameting wordt altijd naar boven afgerond. Bijvoorbeeld 301,2” wordt 302”. Als de cilinderinhoud tijdens de wedstrijd wordt gewijzigd dient dit bij de Technische wedstrijdleiding te worden gemeld voordat een run wordt gemaakt. Het krukasmidden mag nooit boven de 610 mm (24”) vanaf de grond liggen. Alleen in de standaard truck klasse mag dit maximaal 914 mm (36”) zijn. Het motorblok moet met minimaal twee 10 mm (3/8”) diameter bouten klasse 5 aan het frame zijn bevestigd. Kleppen dienen middels normale klepveren bediend te worden. Pneumatische klepbediening is in alle klassen verboden. Alle klassen met uitzondering van standaard- en index klassen langzamer dan 10,99 seconden dienen van een stabilisatorstang te zijn voorzien volgens SFI specificatie 18.1. Alle auto’s die op geperste stabilisatorstangen gebruiken dienen deze tegen verlies te borgen met een bout en een moer of door middel van doorboorde bouten met ijzerdraad geborgd.

1:2:1 Wankel motor

De motor inhoud van een wankelmotor moet vermenigvuldigd worden met factor 2.2.

TEKENING 1:2

1:3 Uitlaat

Alle auto’s dienen van uitlaten te zijn voorzien zodat uitlaatgassen naar de achterzijde worde afgevoerd. Uitlaten moeten met een metalen strip worden doorverbonden om te voorkomen dat een of meer pijpen tijdens de rit verloren gaan. Flexibele pijpen zijn verboden in het uitlaatsysteem. Als er dempers worden gebruikt moeten ze veilig bevestigd zijn aan de uitlaat en de auto. Om de drag sport te kunnen blijven uitoefenen dienen alle volgende klassen (Street Machines ET, Super Street, Super Gas en Super Comp) van een goedgekeurd uitlaatsysteem te zijn voorzien.

1:4 Inlaatbescherming

Carburateur-inlaten mogen niet open naar buiten zijn. Onder de motorkap dienen carburateurs te zijn voorzien van een filter of inlaatkelken die de bovenzijde en de achterkanten afschermen, zodat er geen brandstof in het gezicht van de bestuurder kan komen of iets in de luchtstroom kan worden gezogen. Daarbij dient iedere auto die door de pitstraat wordt gereden met open inlaten, te worden afgeschermd tegen vuil.

1:5 Brandstoftanks

Alle brandstoftanks, leidingen, pompen, kleppen en dergelijke dienen buiten de bestuurderscabine te worden geplaatst maar wel binnen het frame van de eventuele body. Koeltanks in volbody auto’s dienen minimaal 152 mm (6”) voor het brandscherm te zijn geplaatst. Brandstofverdelerblokken dienen minimaal 152 mm (6”) vanaf het vliegwiel of cardanhuis te worden gemonteerd. Als het in een bepaalde klasse is toegestaan dat de brandstoftank buiten de body of het frame geplaatst mag worden dient de brandstoftank in een stalen frame te worden ingebouwd met een minimale dikte van 32 mm x 1,65 mm (1 1/4” x 0,065”) chroommolybdeen of 3 mm (0,118”) staal te worden bevestigd. Alle brandstoftanks dienen van het bestuurders compartiment te zijn gescheiden door een brandwerend scherm. Alle tanks dienen te zijn voorzien van een drukventiel en de ventilatie dient buiten de body te worden afgevoerd. Bij alle open wagens dient er een draaisluiting op de brandstoftanks te zijn aan gebracht. Brandstoftanks mogen niet worden geïsoleerd. Als er brandstofcellen worden gebruikt dienen deze een metalen omhulsel te hebben voor dat gedeelte van de brandstofcel die buiten het chassis op de body valt en de leidingen mogen aan achterzijde vrij worden aangesloten.

TEKENING 1:5

BRANDSTOFLEIDINGEN

Alle niet standaard leidingen, brandstof- leidingen maar ook motor – of telemetriekabels dienen van metaal of staal geweven omhulsel te zijn voorzien. Er mag maximaal 305 mm (12") van de totale kabel niet zijn voorzien van beschermende leidingen. Dit mag alleen voor aansluitingsdoeleinden. Losse injectorleidingen zijn hiervan uitgesloten. Brandstofleidingen die niet van geweven staalommantelingen zijn voorzien dienen bij het vliegwiel of cardan te worden afgeschermd door een leiding met een minimale dikte van 3,20 mm (1/8”). De leidingen dienen deugdelijk te zijn bevestigd om scheuren te voorkomen. Het is verplicht dat brandstofleidingen die langs een supercharger-riem lopen op dezelfde wijze worden afgeschermd. Brandstofleidingen mogen niet door de cardantunnel worden geleid.

POMPEN EN KLEPPEN

Auto’s met niet standaard mechanische brandstofpompen moeten van een snelwerkende afsluitklep zijn voorzien die goed toegankelijk is voor de bestuurder. De afsluitklep dient in de hoofdleiding tussen tank en carburateur of injector te worden geleid. Niet standaard brandstof terugvoerleidingen zijn niet toegestaan. Alle auto’s in Competition Eliminator, Pro Mod en Pro Stock klasse moeten zijn voorzien van een aftapkraan die aangesloten zit tussen de benzinetank en carburateur of injector zodat er brandstofmonsters kunnen worden genomen.

BRANDSTOF/LUCHT

Elke vorm van kunstmatige koeling of verwarming van brandstof is verboden (bijvoorbeeld door middel van koeltanks, freon, ijs of natte lappen) of het moet in het klasse reglement zijn toegestaan. Koeltanks, freon ijs of natte lappen zijn toegestaan in alle Super en indexklassen. Natte lappen, doeken, ijs en dergelijke moeten worden verwijderd voordat het voertuig het startgebied verlaat. Alleen omgevingsluchttemperatuur is toegestaan. Het koelen of anderszins wijzigen van de inlaatluchttemperatuur is verboden.

ALTERNATIEVE BRANDSTOFFEN

Tanks voor alternatieve brandstoffen dienen door de fabrikant gelabeld te zijn voor gebruik van CNG-propaan. De vulopening van de tank dient buiten het chassis te zitten. Alternatieve brandstofsystemen dienen een geïntrigeerd veiligheidsventiel te hebben volgens de NFDA52-norm voor CNG-voertuigen. Alle leidingen en afsluitkleppen die worden gebruikt voor alternatieve brandstoffen dienen gelabeld te zijn door de fabrikant. Tevens moet de naam van de fabrikant aangegeven zijn en dient het serviceniveau en toegestane druk te zijn aangegeven. Leidingen die gemaakt zijn van nylon, gegoten ijzer, gegalvaniseerd koper of aluminium zijn niet toegestaan.

1:5:1 Intercooler

Toevoeging van brandstof vóór de intercooler is niet toegestaan.

1:6 Diesel

Diesel wordt voor dit reglement omschreven als een mengsel van koolwaterstoffen. Alle niet koolwaterstoffen die het vermogen doen toenemen zijn niet toegestaan. Alle niet koolwaterstoffen die het vermogen niet doen toenemen zijn toegestaan als ze niet meer dan 0,15% volume innemen en door de fabrikant aan de dieselolie zijn toegevoegd. Diesel heeft een hoog-ohmige weerstand. Deze weerstand wordt weergegeven door zijn isolerende waarde. Diesel dient een ohmse weerstand van 2,025 Ohm te hebben. Dit komt overeen met de nulwaarde op de brandstofcontrolemeter. Diesel wordt getest en gecertificeerd door middel van verschillende chemische analyses door daarvoor geautoriseerd personeel. De diesel van een voertuig kan voor een run worden getest.

1:6:1 FIA Fuel Specification

Zie FIA Jaarboek.

1:7 Vloeistofoverstroominrichting

Alle auto’s die voorzien zijn van een vorm van waterkoeling dienen een opvangtank te hebben die voorkomt dat er water op de baan wordt gemorst. De tank moet minimaal een inhoud hebben van 0,5 liter. De opvangtank dient veilig vastgezet te zijn door middel van bouten of klemmen. Het overtollige water mag ook in de spruitstukken worden gespoten bij superchargers of auto’s die op nitro-methaan of alcohol rijden.

1:8 Methanol

Methanol is een heldere kleurloze vloeistof met een lichte geur bij omgevingstemparatuur. Er worden twee types methanol verkocht en wel A en AA. Beide versies zijn in competitie toegestaan. De teams dienen er voor te zorgen dat de methanol aan de volgende voorwaarden voldoet:

Specificaties voor pure methanol:

Eigenschappen Klasse A Klasse AA

Methanol, min. gewicht % 99,85 99,85

Aceton en aldehyde, max. 30 30

Aceton, max. 20

Ethanol, max. 10

Zuur, max. 30 30

Waterinhoud, max. 1500 1000

Soortelijk gewicht bij 20°C .7928 .7928

, minuten 30 30

Geur karakteristiek

Distillatie bij 1010 hPa Niet meer dan 1°C, incl.

(760 mm Hg) 64.6 +/- 0,1°C bij 760mm Hg

Kleur, platinum-cobalt schaal, mix 5 5

Uiterlijk helder kleurloos

Neerslag na verdamping, g/100ml ,001 ,001

Verbrandbare verontreinigingen

Kleur platinum-cobalt schaal, max. 30 30

Methanol wordt door de wedstrijdorganisatie getest door het toevoegen van diverse chemicaliën door de tester van de brandstof. Om te kunnen racen dient aan de in bovenstaande tabel opgegeven hoeveelheden te worden voldaan. Elke afwijking van deze tabel leidt tot diskwalificatie. Omdat methanol een hygroscopische vloeistof is wordt het vocht in de lucht aangetrokken en opgenomen in de methanol. Hierdoor kan de methanol niet meer voldoen aan de reglementen. Racers worden gewaarschuwd hier rekening mee te houden en methanol zo goed mogelijk afgesloten te bewaren en worden verder aangeraden om hun brandstof te laten testen bij eventuele twijfel.

1:9 Lachgas (Nitro-oxide)

Lachgas (Nitro-oxide) is toegestaan in Street Machines ET, alle “Super” klassen, Competition Eliminator klassen AN/A, BN/A, CN/A, DN/A en BN/D en Pro Mod. Kijk ook bij specifieke klasseneisen en specificaties. De toevoeging van andere stoffen dan lachgas, als onderdeel van óf gemengd met, met dit druksysteem is strikt verboden. Alle flessen dienen verzekerd vast te zitten en alleen cilinders die gecertificeerd zijn voor gebruik als brandstofreservoir met de daarbij behorende druk zijn toegestaan. Dit geldt voor elke voertuig met een lachgasinstallatie. Alle flessen moeten voorzien zijn van een breekplaat of veiligheidsventiel om overdruk te voorkomen.

De aanvoerleiding van de fles naar de solenoid moet van staal óf hoge kwaliteit gevlochten metaal teflonslang, zoals Aeroguip, zijn. De aanvoerleidingen moeten goed vastgezet worden op elke 152 mm (6”) met onbrandbare clips of andersoortige niet brandbare bevestigingsmateriaal.

De slang moet buiten de auto langs gevoerd worden bij een auto met gesloten cockpit en bij een open cockpit zover mogelijk van de rijder afverwijderd. Waar het de rijder passeert moet de slang uit één lengte bestaan tussen vóór en achterkant van de cabine.

Alle koppelingen moeten schroefkoppelingen zijn. Alle systemen moeten voorzien zijn van een regeling die voorkomt dat het systeem geactiveerd kan worden, voordat het gaspedaal bediend wordt.

Een `Waarschuwingslampje´, duidelijk voorzien van een label met N2O, moet in het solenoid circuit zitten, zodat die aangaat wanneer het lachgassysteem geactiveerd is.

Lachgasflessen die in het rijders compartiment bevinden, moeten uitgevoerd zijn met een ontluchtingsklep, die naar buiten toe gas afblaast. Alle voertuigen met een lachgas systeem moeten een sticker hebben zoals aangegeven in FIGUUR 2. Deze sticker moet duidelijk zichtbaar zijn en op een plaats zitten vlakbij het race nummer en waar deze niet beschadigd kan raken bij een situatie van een ongeluk.

TEKENING FIGUUR 2

Het systeem moet commercieel verkrijgbaar zijn en geïnstalleerd worden volgens de aanwijzingen van de fabrikant. Flessen mogen niet geïnstalleerd worden in het motorgedeelte. Uitzonderingen op deze regels moeten vermeld staan in de specifieke klassen reglementen.

Het ontluchten en bijvullen van de lachgasflessen zal zeer zorgvuldig moeten gebeuren. Het extern opwarmen van de flessen met open vuur is strikt verboden. Alleen opwarmen met heet water óf een elektrische deken is voor dit doeleind toegestaan.

GEADVISEERDE CONTROLE:

Geadviseerd wordt voor een gasdicht systeem om te controleren op lekkage, terwijl de cilinder geopend is. De solenoid die het systeem uitschakelt moet gecontroleerd worden met de fles volledig open, door het gaspedaal in te drukken en te controleren of lachgas vrijkomt. Alle lachgasleidingen moeten worden ontkoppeld en leeg gelaten in open lucht. Alle brandstof solenoids moeten elektrisch uitgeschakeld zijn.

Vervolgens moet het gaspedaal losgelaten worden tot halfgas en in die positie gehouden worden. Dit moet de solenoid ontkoppelen aangezien deze geactiveerd wordt door de gasschakelaar, waardoor de gas toevoer wordt uitgeschakeld. Meer controles moeten worden gemaakt om er zeker van te zijn dat het ontsnappen van gas niet hoorbaar is.

1:10 Olie-systeem

Accubakken, opvangtanks, oliefilters en olietoevoerleidingen mogen niet door het bestuurderscompartiment lopen of buiten het chassis vallen. Oliedrukmeters en leidingen zijn toegestaan als er gebruik wordt gemaakt van metalen of metaal-ommantelde leidingen met een maximale diameter van 5 mm (3/16”) binnendiameter. Vermogens-toevoegende maatregelen zijn niet toegestaan.

1:11 Propyleen-Oxide

Het gebruik van propyleen-oxide is in alle klassen verboden.

1:12 Superchargers

‘ROOTS’-TYPE:

maximaal toegestane afmeting is 14-71 en de rotorkast mag een maximale lengte hebben van 483 mm (19”). De maximale breedte is 286 mm (11¼”). ‘Roots’-compressors moeten een minimale wanddikte hebben van 6,35 mm (¼”). De bovendeksel dient ook minimaal 6,35 mm (¼”) dik te zijn. De onderdeksel heeft een minimum dikte van 7,6 mm (0,300”). Het rotorhuis mag inwendig een maximale diameter hebben van 148,34 mm (5,840”). De schoephoek van de rotor mag niet groter zijn dan 4° per inch (standaard 71 serie GM). De maximum versnelling mag niet meer zijn dan 70%. Aluminium steunen tussen supercharger en inlaat zijn verplicht. Zie verder algemeen reglement 1:13 en de specifieke klasseneisen voor de breekplaat en de beveiligingsband bevestigings specificaties;

‘ROOTS’-TYPE MET GROTE SPOED:

Deze moeten voldoen aan dezelfde buitenafmetingen als hierboven vermeld. De rotorspoedhoek mag niet meer zijn dan 6,5° per inch. Dus 123,5° bij de maximale lengte van 483 mm (19”). Grote spoed superchargers zijn alleen toegestaan voor TMD en TMFC. Ze zijn verboden in alle andere klassen. De maximale versnelling mag niet meer zijn dan 70%. Aluminium steunen tussen supercharger en inlaat zijn verplicht. Zie algemeen reglement 1:13 en de specifieke klasseneisen voor de breekplaat en de beveiligingsband bevestigings specificaties;

SCHROEF-TYPE:

Deze dienen te voldoen aan SFI specificatie 34.1. De maximale lengte is 406 mm (16”). De maximale breedte is 406 mm (16”) met een minimale wanddikte van 6,35 mm (¼”).De onderdeksel heeft een minimum dikte van 7,6 mm (0,300”). Het toepassen van een schroef-compressor is alleen toegestaan voor TMD en TMFC. Onder geen beding mag een schroefcompressor een hoger toerental draaien dan het maximum uit de tests van de fabrikant/SFI is aangegeven. Overdrukventielen dienen van een goedgekeurd type te zijn volgens SFI specificatie 23.1 en een vertragingskast volgens SFI specificatie 14.21 is verplicht. Aluminium steunen tussen supercharger en inlaat is verplicht. Versnellingslimieten als die door de FIA of MSA zijn vast gesteld zijn afhankelijk van het vermogen.

ALLE TYPEN SUPERCHARGERS:

Variabele multi-snelheid superchargers zijn verboden ongeacht het supercharger type. Alle superchargers moeten verplicht zijn voorzien van een afscherming van de olie- en brandstofleidingen die in de buurt van de supercharger lopen.

1:13 Supercharger beveiligingsbanden

Supercharger beveiligingsbanden moeten voldoen aan SFI specificatie afhankelijk van de klassenreglementen.
Bij TF en FC moeten de banden voldoen aan SFI specificatie 14.3; TMD, TMFC, PM en ET auto´s die sneller gaan dan 7,50 sec. moeten voor de Roots-type de beveiligingsbanden voldoen aan SFI specificatie 14.2. Bij de klassen TMD en TMFC met een S chroef-type moeten zij voldoen aan SFI specificatie 14.21.

Bij Competition Eliminator, Super Street, Super Gas, Super Comp en de op methanol rijdende ET auto´s moeten de beveiligingsbanden voldoen aan SFI specificatie 14.1. Zie ook de eigen klassen specificaties.

1:14 Gaspedaal

Alle voertuigen dienen een gaspedaal te hebben die door middel van een veer wordt gesloten. Tevens dient er een rechtstreekse aansluiting met de carburateur of injector te zijn. Verder dient er een stop aangebracht te zijn die voorkomt dat het gas open kan blijven staan. Als er een aangepast verbindingssysteem wordt gebruikt dient het gas met de voet gesloten te kunnen worden. Bij kabel- en hydraulische bediening is dit niet noodzakelijk. De bediening van het gaspedaal dient door de voet te kunnen worden gedaan, elke andere manier van bedienen door elektronica, lucht of hydraulische leidingen is niet toegestaan. Bediening door middel van kabels is toegestaan. Goedgekeurde handbediening bij lichamelijk gehandicapten is toegestaan. Choke kabels en gesoldeerde of gelaste aansluitingen op stalen kabel is niet toegestaan. Geen onderdeel van het gaspedaal mag onder het frame uitkomen.

1:15 Ontluchtingsaansluiting

De ontluchtingsaansluiting is verplicht wanneer in het klassenreglement dit is aangegeven en dit toegestaan is voor alle voertuigen. Alle ontluchtingsaansluitingen dienen in een opvang bak uit te monden en hiermee vast te worden verbonden. De opvangtank dient een minimum grootte te hebben van 3,8 liter óf kleiner indien dit in het klassenreglement is aangegeven. De opvangtank moet zijn beveiligd tegen overstromen. Een kijkglas óf kijkbuis wordt aanbevolen om te controleren of de tank leeg is voordat de run aanvangt. Ontluchtingsleidingen dienen goed bevestigd te worden, dit mag niet gebeuren door middel van ty-rips. Ook dient er gebruik gemaakt te worden van slangklemmen.


Artikel 2 AANDRIJFINRICHTING

2:1 Opvanginrichting

Indien verplicht in een klasse dient er een beugel of inrichting te zijn die voorkomt dat de aandrijfriem of carterbescherming achterwaarts kan worden weggeslagen als de koppeling of het vliegwiel explodeert. De beugel moet gemaakt zijn van 4130 chroommolybdeen (of Reynolds 531) buis met een minimum maat van 22,2 mm (0,875”) buitendiameter en een wanddikte van 2,1 mm (0,083”) en dient te worden bevestigd met 10 mm (3/8”) bouten. Kogelafsluitpennen zijn niet toegestaan.

TEKENING 7

2:2 Asborgingsmiddelen

Alle auto’s behalve standaard en sommige ET klassen (indien in het reglement is aangegeven) moeten voorzien zijn van een degelijke achteras borging met een minimum afmeting van 3 mm (0,120”) aluminium of 2,3 mm (0,090”) stalen lager borging. Standaard C-klip asborgingen zijn verboden zoals omschreven in de klassenreglementen.

2:3 Koppeling

Elk voertuig in competitie behalve die met een automatische versnellingsbak moeten worden uitgevoerd met een voetbediende koppeling en een stopmechanisme zodat niet voorbij de neutraal kan worden gekoppeld. Alle pedalen moeten zijn voorzien van slipvrij materiaal. Voor gehandicapten kunnen handbediende koppelingen worden goedgekeurd. Alle slider-koppelingen moeten voldoen aan de SFI specificaties 1.2, 1.3, 1.4 zoals omschreven in de klassenreglementen.

2:4 Aandrijving

Iedere auto waarvan de bestuurder op of achter het middengedeelte van de cardan zit dient van een beschermplaat te zijn voorzien van een staalplaat met een minimale dikte van 3 mm (0,120”) die stevig bevestigd dient te worden tussen achteras en cardanhuis. Voor rechte cardankoppelingen is een aluminium plaat met een minimum dikte van 1,6 mm (0,063”) voldoende. Deze dient een inspectieluik te hebben ter controle of verwijdering van de koppeling. Deze plaat dient stevig bevestigd te zijn tussen de achteras en het cardanhuis, of zoals is aangegeven in de klassen reglementen. In plaats van een dwarsbalk in de buurt van de voorste cardankoppeling dienen alle auto’s die een open cardanas gebruiken te zijn voorzien van een veiligheidsbeugel die de cardanas rondom (360°) moet borgen. Deze beugel dient een minimale dikte te hebben van 6 mm (¼”) en 51 mm (2”) breedte aluminium of indien van gelaste stalen buis 22 mm (7/8”)x 1,65 mm (0,065”). Deze veiligheidsbeugel dient op maximaal 152 mm (6”) van de voorste cardankoppeling te worden aangebracht. Aanbevolen wordt de veiligheidsbeugel rond in plaats van rechthoekig óf ovaal te laten zijn om de last/druk op de veiligheidsbeugel te minimaliseren. Een open cardan die langs een lichaamsdeel van de bestuurder loopt dient te worden afgeschermd door een stalen plaat met een minimum dikte van 3 mm (1/8”). Deze plaat dient stevig bevestigd te worden aan het frame.

TEKENING 2:4

2:5 Vliegwiel

Het gebruik van een standaard gegoten ijzeren vliegwiel of een vliegwiel dat is opgebouwd uit platen is niet toegestaan. Het gebruik van aluminium vliegwielen is niet toegestaan in TF en FC. Het vliegwiel dient te voldoen aan SFI specificaties 1.1, 1.2, 1.3 of 1.4 of indien anders aangegeven in het klassen reglement.

2:6 Vliegwiel- en Carterbescherming

Algemeen

Er mogen geen wijziging worden aangebracht aan een standaard ontwerp vliegwielbescherming en/of –voering, zoals omschreven in SFI specificaties 6.1, 6.2 en/of 6.3. Titanium carters dienen elk jaar geïnspecteerd en goedgekeurd te worden. SFI specificatie 6.2 en 6.3 stalen carters moeten elke twee jaar worden gecontroleerd en worden goedgekeurd in TF, FC, TMD. TMFC, Pro Stock, Pro Mod en ET auto´s sneller dan 7,50 seconde. In alle andere klassen elke vier jaar. SFI specificatie 6.1 stalen carters dienen elke vijf jaar opnieuw te worden geïnspecteerd en goedgekeurd in Pro Stock, Pro Mod en ET auto´s sneller dan 7,50 seconde. In alle andere klassen elke tien jaar. De vliegwiel beschermer dient te worden bevestigd aan de motor en het carterdeksel op alle door de fabrikant aangegeven boutgaten met hardheid type 8 bouten of speciale tapeinden. Het gebruik van inbusbouten voor het vastzetten van de plaat of andere beschermingsdeksels is verboden. Alle bouten die gebruikt worden moeten herkenbaar zijn door het keur waarmee ze zijn voorzien. Alle toegepaste bouten, moeren en tapeinden dienen minimaal de afmeting van de standaard toegepaste uitvoering hebben. Holle boeten, halve moeren en dunwandige moeren mogen niet worden toegepast. De maximum diepte van de vliegwiel bescherming is 219 mm (8 5/8”) behalve bij TF en FC waar de diepte maximaal 239 mm (9,4”) binnenwaarts is. De minimale wanddikte van alle beschermingsplaten is 12,7 mm (½”). Alle beschermingsplaten die bij het vliegwiel zitten dienen voor het starten van de motor aangebracht te zijn, ook bij het warmdraaien. De maximale ruimte tussen de flens en het vliegwielhuis is 178 mm (7”). Het etsen of op elke andere manier verzwakken van de vliegwielbescherming is verboden. Het lassen ter reparatie van de vliegwielbescherming is verboden mits uitgevoerd door de fabrikant en gehercertificeerd door de fabrikant voor het gebruik. Koelgaten in de motorplaat mogen niet groter zijn dan twee 51 mm (2”) gaten (buiten het olie carter) SFI 6.2. Vliegwiel beschermingsplaten mogen een 51 mm (2”) gat hebben aan de onderzijde van het scherm. De opening in de motorplaat van de krukas mag niet groter zijn dan de dikte van de krukas plus 25,4 mm (1”).

2:7 Vliegwielbescherming

Top Fuel en Funny Cars

TF en FC die uitgerust zijn met een koppeling moeten een vliegwiel bescherming hebben die voldoet aan de SFI specificaties 6.2 en dient ook als zodanig gelabeld te zijn. Verder dient een uit één geheel bestaande motorplaat met een dikte van minimaal ¼” chroommolybdeen staal te bestaan en bevestigd te zijn volgens de specificaties van het SFI reglement hoofdstukken 2.2a, 2.3h of 10.1c. De motorplaat dient bevestigd te zijn aan het chassis op vier hoeken met minimaal twee gelaste bevestigingsogen die de plaat met minimaal twee 3/8” bouten keur 5 worden bevestigd. De twee andere bevestigingspunten moeten met minimaal zadelverbindingen aan het frame zijn bevestigd en degelijk zijn geborgd, niet door middel van slangklemmen. De vliegwielbescherming en de carterplaat dienen met minimaal 7 bouten van hoogwaardige kwaliteit staal (of titanium) met een minimale diameter van 7/16” te worden bevestigd. De carterplaat dient met minimaal 8 bouten van 7/16” keur 8 bevestigd te worden aan de motor, bij bevestigingen onder het midden van het vliegwiel mogen ze worden bevestigd met bouten van een hoogwaardige legering of titanium steunen. De vliegwielbescherming moet ook aan de carterplaat bevestigd worden met minimaal 8 bouten van een hoogwaardige legering of titanium, één en ander volgens SFI specificatie 2.3f of 10.1c. Er dient een verstevigingsring in het vliegwielhuis te zitten van minimaal 0,090” 4130 staal of titanium met de breedte van het ronde gedeelte van het vliegwielhuis. Deze ring moet aan elkaar worden gelast zodat hij mee kan draaien, er mag ook nog een aluminium bout worden toegepast die de ring onder normale omstandigheden vasthoudt aan het vliegwielhuis. Zoals beschreven in hoofdstuk 2:6 mag er geen enkele aanpassing of verandering worden aangebracht aan het cardanhuis behalve dan door de fabrikant van het cardanhuis en moet na verandering door de fabrikant opnieuw goedgekeurd worden. Ook koppelingsafstel-slots, onderhoudsgaten en deksels dienen door de fabrikant te zijn aangebracht.

TEKENING 2:7

2:8 Vliegwielbescherming

Top Methanol Dragster & Top Methanol Funny Car

TMD en TMFC die uitgerust zijn met een koppeling moeten een vliegwiel bescherming hebben die voldoet aan de SFI specificaties 6.2 en dient ook als zodanig gelabeld te zijn. Verder dient een uit één geheel bestaande motorplaat met een dikte van minimaal ¼” chroommolybdeen staal te bestaan en bevestigd te zijn volgens de specificaties van het SFI reglement hoofdstukken 2.2a, 2.3h of 10.1c. De motorplaat dient bevestigd te zijn aan het chassis op vier hoeken met minimaal twee gelaste bevestigingsogen die de plaat met minimaal twee 3/8” bouten keur 5 worden bevestigd. De twee andere bevestigingspunten moeten met minimaal zadelverbindingen aan het frame zijn bevestigd en degelijk zijn geborgd, niet door middel van slangklemmen. De vliegwielbescherming en de carterplaat dienen met minimaal 7 bouten van hoogwaardige kwaliteit staal (of titanium) met een minimale diameter van 7/16” te worden bevestigd. De carterplaat dient met minimaal 8 bouten van 7/16” keur 8 bevestigd te worden aan de motor, bij bevestigingen onder het midden van het vliegwiel mogen ze worden bevestigd met bouten van een hoogwaardige legering of titanium steunen. De vliegwielbescherming moet ook aan de carterplaat bevestigd worden met minimaal 8 bouten van een hoogwaardige legering of titanium, één en ander volgens SFI specificatie 2.3f of 10.1c. Er dient een verstevigingsring in het vliegwielhuis te zitten van minimaal 0,090” 4130 staal of titanium met de breedte van het ronde gedeelte van het vliegwielhuis. Deze ring moet aan elkaar worden gelast zodat hij mee kan draaien, er mag ook nog een aluminium bout worden toegepast die de ring onder normale omstandigheden vasthoudt aan het vliegwielhuis. Zoals beschreven in hoofdstuk 2:6 mag er geen enkele aanpassing of verandering worden aangebracht aan het cardanhuis behalve dan door de fabrikant van het cardanhuis en moet na verandering door de fabrikant opnieuw goedgekeurd worden. Ook koppelingsafstel-slots, onderhoudsgaten en deksels dienen door de fabrikant te zijn aangebracht.

2:9 Vliegwielbescherming

Pro Stock, Pro Mod en Competition Eliminator

Pro stock, Pro Mod en Competition auto’s voorzien van een enkel- of dubbelplaats koppeling moeten een vliegwiel bescherming hebben die voldoet aan de SFI specificaties 6.1, 6.2 of 6.3 en ook als zodanig gelabeld zijn. Pro stock, Pro Mod en Competition auto’s die voorzien zijn van meer dan twee koppelingsplaten moeten voldoen aan de SFI specificatie 6.2 of 6.3 en ook als zodanig gelabeld zijn. Zoals beschreven in hoofdstuk 2:6 mag er geen enkele aanpassing of verandering worden aangebracht aan het cardanhuis behalve dan door de fabrikant van het cardanhuis en moet na verandering door de fabrikant opnieuw goedgekeurd worden. Ook koppelingsafstelslots, onderhoudsgaten en deksels dienen door de fabrikant te zijn aangebracht. Een motorplaat met een minimum dikte van 3,2 mm (1/8”) staal, titanium, of 2024T3 (of A-U4G1, AlCuMg2, L.97, L.98), 6061T6 (of H20) of 7075T6
(of A-Z5GU, AlZnMgCu1.5, L.95, L.96) aluminium is vereist. De vliegwielbescherming en de motorplaat dienen met alle aanwezige boutgaten óf zoals door de fabrikant is gespecificeerd of met een minimale diameter van 9,53 mm (3/8”) van klasse keur 8 (óf klasse 12,9) bouten van hoogwaardige kwaliteit staal of titanium boven de middellijn van de krukas te worden bevestigd. De motorplaat dient met minimaal 8 bouten van 9,53 mm (3/8”) keur 8 (óf klasse 12,9) bevestigd te worden aan de motor, bij bevestiging onder het midden van het vliegwiel mogen ze worden bevestigd met bouten van een hoogwaardige legering of titanium steunen. Een opening in de motorplaat voor een andere startinrichting is toegestaan, maar mag niet groter zijn dan 51 mm (2”), en als zo’n opening wordt toegepast mag er nog maar één koelopening aanwezig zijn van maximaal 51 mm (2”).

2:10 Vliegwielbescherming

Overige Klassen

Andere klassen, behalve de zoals beschreven in de ET klassen die een koppeling gebruiken, moeten voorzien zijn van een vliegwielhuis dat voldoet aan SFI specificatie 6.1 als ze één koppelingsplaat hebben. Als ze gebruik maken van meer-plaatskoppelingen moet het vliegwielhuis voldoen aan SFI specificatie 6.2 en 6.3. De vliegwielbescherming en de motorplaat dienen met alle aanwezige boutgaten óf zoals door de fabrikant is gespecificeerd of met een minimale diameter van 9,53 mm (3/8”) van klasse keur 8 (óf klasse 12,9) bouten van hoogwaardige kwaliteit staal of titanium boven de middellijn van de krukas te worden bevestigd. De motorplaat dient met minimaal 8 bouten van 9,53 mm (3/8”) keur 8 (óf klasse 12,9) bevestigd te worden aan de motor, bij bevestiging onder het midden van het vliegwiel mogen ze worden bevestigd met bouten van een hoogwaardige legering of titanium steunen.

Veranderingen of reparaties aan de vliegwielbescherming zijn niet toegestaan, behalve als ze worden uitgevoerd en gehercertificeerd door de fabrikant. Uitzondering op deze regels zijn auto’s die voorzien zijn van een Volkswagen- of Porsche motor die op normale benzine lopen en niet voorzien zijn van een turbo. Deze motoren hoeven geen beschermingsplaat te hebben. Porsche motoren dienen te zijn voorzien van een stalen vliegwiel uit één geheel.

Alle auto’s waarvoor geen vliegwielbescherming te koop is die voldoen aan SFI specificaties 6.1 of 6.2 mogen een goedgekeurd type aanpassen voor hun auto, waarbij alle motorbouten wel dienen te worden gebruikt. Er mag een eigen gemaakt huis toegepast worden van plaatstaal met een minimum dikte van 6,35 mm (¼”) die stevig aan het frame bevestigd wordt en het vliegwiel 360° omvat. De vliegwielbescherming mag niet worden bevestigd aan de motor of het vliegwiel. De bescherming moet minimaal 25,4 mm (1”) verder doorlopen dan het vliegwiel, koppeling en de drukgroep. Andere motoren waar een SFI specificatie 6.1, 6.2 of 6.3 vliegwielbescherming niet beschikbaar is, mogen een SFI specificatie 6.1, 6.2 of 6.3 vliegwielbescherming van een andere applicatie gebruiken en monteren op een motorplaat die gemonteerd is op het motorblok met alle beschikbare boutgaten.

Titanium vliegwielbeschermingen zijn alleen toegestaan in Top Fuel, Funny Car, Pro Stock, Pro Mod, Top Methanol Dragster, Top Methanol Funny Car, Competition Eliminator en ET auto´s sneller dan 7.50 seconden.

2:11 Achterkant

Het is niet toegestaan om satelliettandwielen in achteras vast te lassen. Vierwiel aangedreven auto’s zijn toegestaan in alle ET klassen die 12 seconden en langzamer gaan. Niet-standaard achterassen en bevestigingen zijn verplicht in Top Fuel, Funny Car, Top Methanol Dragster, Top Methanol Funny Car, Competition Eliminator, Super Comp, Super Gas en ET auto´s sneller dan 11.00 seconden. Ook verplicht op elke andere auto met een ketting ongeacht welke klasse of ET.

2:12 Versnellingsbak

Alle auto’s en trucks, behalve dragsters die door een motor van een motorfiets of van een sneeuwmobiel aangedreven worden, moeten zijn voorzien van een achteruit.

2:13 Versnellingsbak met niet-standaard planeetwielen

Auto’s die met nitro-methaan of methanol gestookt worden of van een supercharger of turbo zijn voorzien dienen een transmissie bescherming te hebben die de transmissie en achteruitrij inrichting afschermen die voldoet aan SFI specificatie 4.1. Air shifter flessen moeten geschikt en gestempeld zijn voor minimaal DOT 1800 pond of minimaal 124 bar en dienen tevens stevig bevestigd te worden, niet door middel van slangklemmen of ty-rips. Planeetversnellingen dienen met tenminste 3 bouten van minimaal 9,53 mm (3/8”) bevestigd te worden aan het cardanhuis behalve zoals aan gegeven bij Top Fuel, Funny Car, Top Methanol Dragster en Top Methanol Funny Car.

2:14 Automatische versnellingsbak

Elke niet-standaard automaat met op de vloer gemonteerde versnellingspook voor automatische schakeling moet worden voorzien van een veerbelaste anti-achteruitrij inrichting zodat de versnellingspook niet bij vergissing in de achteruit gezet kan worden. Alle versnellingsbak leidingen moeten van metaal zijn of van hoge druk slang zijn gemaakt. Alle voertuigen die sneller rijden dan 10.00 seconden of een hogere eindsnelheid hebben dan 217 km/u (135 mijl) en gebruik maken van een automatische versnellingsbak moeten worden uitgevoerd met een versnellingsbakbeveiliging volgens SFI specificatie 4.1, en als zodanig gelabeld te zijn (uitgezonderd een aantal standaard klassen zoals in hun reglement staat aangegeven).

Ook dekenachtige beschermingen die voldoen aan SFI specificatie 4.1 mogen worden gebruikt. Alle niet-deken achtige schermen moeten zijn voorzien van twee of één (volgens instructies van fabrikant) 19,050 mm (¾”) x 3,2 mm (1/8”) banden die aan beide zijden van het scherm moeten worden geschroefd en onder de versnellingsbak worden doorgevoerd of de versnellingsbak dient aan SFI specificatie 4.1 te voldoen. Deze zijn toegestaan in alle klassen waarin een automatische versnellingsbak wordt gebruikt.

Pro Mod, Competition Eliminator, Super Comp en Super Gas en alle ET klassen die sneller zijn dan 10,00 seconden of harder rijden dan 217 km/u (135 mijl) moeten worden voorzien van een flexplaat die voldoet aan SFI specificatie 29.1 en een flexplaat bescherming die voldoet aan SFI specificatie 30.1.

Alleen gascilinders/luchtflessen voor de airshifter moeten zijn goedgekeurd voor minimaal 1800 pond of minimaal 124 bar druk en de flessen dienen goed bevestigd te worden, niet door middel van ty-rips of slangklemmen. Alle cilinders/flessen dienen verzekerd vast te zitten en alleen cilinders/flessen die gecertificeerd zijn voor de voorgeschreven druk zijn voor gebruik als brandstofreservoir toegestaan. Alle in gebruik zijnde cilinders/flessen moeten voorzien zijn een overdruk ventiel of anderszins om overdruk te voorkomen.


Artikel 3 REMMEN EN VERING

3:1 Remmen

Remmen van alle klassen moeten goed werken met minimaal twee hydraulisch bediende remmen op het achterwiel terwijl hydraulische remmen op alle vier de wielen wordt aanbevolen of in het klassenreglement verplicht zijn gesteld. Het verminderen van het gewicht van remmen door middel van boren, wegzagen of –slijpen van gedeeltes van de rem zijn verboden. Het boren van gaten in remschijven is toegestaan maar niet in gietijzeren remschijven. Aluminium remschijven zijn niet toegestaan alleen bij Funny cars voorwielen. Als er een handrem aanwezig is dient deze binnen het chassis of het bestuurders gedeelte te vallen. Remleidingen moeten van staal, staal-ommanteld of DOT goedgekeurde flexibele slang zijn, de leidingen dienen stevig gemonteerd te zijn en op de plekken waar de leiding langs het vliegwiel en de cardan loopt dient de leiding in een buis van 16” te worden gelegd met een minimum dikte van 1/8” wanddikte. Alle leidingen moeten op standaard wijze bevestigd worden en niet met ty-rips, slangklem, tape of iets dergelijks. Alle remleidingen op een auto met achterliggende motor dienen beschermd te worden door stallen leidingen of stalen ommanteling. Alle pedalen dienen te zijn voorzien van antislip materiaal. Automatisch bediende remmen zijn niet toegestaan. De bediening van de remmen dient rechtstreeks door de bestuurder te gebeuren en mag niet door middel van elektronische of lucht-bediening plaatsvinden, verder mag niets een goede remwerking van de gehele reminrichting in de weg staan. Indien een mechanisch bekrachtigde ABS is goedgekeurd mag deze tijdens de wedstrijden worden gebruikt. Indien remmen zijn voorzien van motordruk ondersteuning dienen deze op de voorrem van solenoïdes te zijn voorzien die automatisch terugschakelen naar de normale remmethodiek.

3:2 Schokbrekers

Elke auto dient van goed werkende schokbrekers te zijn voorzien op alle verende wielen. Schokbrekers mogen zowel van het hydraulische type als van lucht ondersteunde of wrijvingstypes zijn (kijk hiervoor in de klassenreglementen).

3:3 Besturing

De stuurinrichting van alle auto’s dient goed te functioneren. Alle stuikgelaste onderdelen dienen van zichtbare versteviging te zijn voorzien. Alleen standaard types stuurinrichtingen mogen worden toegepast. Alle stuurstangeinden dienen een minimum schaftdikte te hebben van 3/8” en moeten bevestigd worden met platte ringen om te voorkomen dat lagers los kunnen raken. Alle stuurhuizen en -stangen moeten aan het chassis worden bevestigd en mogen niet aan de motorplaat, vliegwielhuis of cardan worden bevestigd. De stuurstang dient uit twee delen te bestaan zodat ingeval van een ongeval de bestuurder niet kan worden verwond door een lange stuurstang. De twee delen kunnen via een kruiskoppeling of stuurhuls met elkaar worden verbonden. In de handel verkrijgbare stuurwielen met snelkoppelingen zijn toegestaan (of staan in het klassenreglement anders aangegeven) de adapter voor de snelkoppeling dient op de stuurstang gelast te zijn. Alle bevestigingen dienen van een deugdelijke kwaliteit te zijn en er mogen geen kogelborgingen of splitpennen worden gebruikt.

3:4 Vering

Alle auto’s dienen volledig geveerd te zijn, de vering dient van een bestaand veersysteem te zijn (zoals torsieveren, schroefveren e.d.). Vaste voor- of achterassen zijn toegestaan als dit in het klassenreglement wordt aangegeven. Alle stanguiteinden dienen bevestigd te zijn met platte ringen zodat lagers niet los kunnen raken. Holle stangen zijn niet toegestaan. Driewielige voertuigen mogen niet in autoklassen uitkomen. Afgeronde assen zijn niet verplicht bij voorwielassen die vast gemonteerd 18” of minder van de koningsas. Alle voorveringen die gebruik maken van een balk of ronde as moeten afgeronde assen hebben die bevestigd worden aan het chassis.

TEKENING 3:4

3:5 Traction bar bevestigingsogen

De minimum dikte van alle bevestigings ogen aan de voorkant van iedere ladder type traction-bar is ¾ “ staal. Er dient een strop aangebracht te zijn welke de ladder-bar borgt in geval van een defect. Voor alle overige soorten traction-bars geldt dat indien deze aan de voorkant niet aan het chassis vast zitten, deze voorzien moeten zijn van een U-vormig draadeind of een strop zodanig dat de traction-bar de baan niet kan raken.

TEKENING 3:5

3:6 Wheelie bars

Sommige klassen hebben een beperkte lengte van de wheelie bar, kijk hiervoor naar het klasse reglement. De wieltjes van een wheelie bar, ongeacht in welke klasse, moeten van een niet-metalen produkt (zoals plastic, rubber e.d.) gemaakt zijn. Wheelie bars mogen niet gebruikt worden als ‘vijfde wiel’ voor het besturen van de auto.


Artikel 4 FRAME

4:1 Afstelling

De wielen van alle auto’s in elke klasse dienen zodanig afgesteld te zijn dat de auto bij elke snelheid goed is te besturen.

4:2 Ballast

Zoals in het reglement van de klassen staat moet elk materiaal dat wordt gebruikt om meer gewicht in de auto te hebben, permanent en stevig zijn bevestigd aan het chassis en dit gewicht mag niet buiten de auto uitsteken. Tevens mag dit gewicht niet achter of boven de achterwielen zijn gemonteerd. Het is niet toegestaan een vloeistof of losse ballast te gebruiken zoals bijvoorbeeld water, zand, zandzakken, gewichten of stenen. Er mogen twee gewichtsbakken worden toegepast van 1/8” staalplaat waarin dan losse gewichten mogen worden aangebracht. De bakken mogen met inhoud niet zwaarder wegen dan 100 pond of anders indien aangegeven in klassenreglement. De bak moet stevig bevestigd worden aan het chassis met minimaal twee ½” stalen bouten. Elke vloeistof (behalve brandstof) die achter de voorste beschermingsplaat (bij een auto met voorliggende motor) is geplaatst word als ballast gezien en is niet toegestaan. Om in andere klassen te kunnen starten mag er een los gewicht gebruikt worden van 100 pond of anders indien in het klassenreglement is omschreven. Ook een verwijderbaar gewicht dient met twee ½” stalen bouten te worden bevestigd of met 3/8” bouten per 5 pond ballast. Slangklemmen, draad, tape of ty-rips mogen niet worden gebruikt voor het vastzetten van gewichten. Andere toegestane vormen van ballast zijn zwaardere vloerplaten, verzwaarde chassisbalken en het plaatsen van rolbars, vliegwielbescherming en andere beveiligingsmiddelen. Als er extra ballast nodig is en toegestaan in het klassenreglement moet het permanent bevestigd worden met twee ½” stalen bouten per 100 pond. De moeren dienen te worden vastgelast. Het maximaal toegestane ballastgewicht (permanent of te verwijderen) is 500 pond ongeacht de klasse.

TEKENING 4:2

4:3 Beschermingsplaat

Alle auto’s met een achterliggende motor moeten zijn voorzien van een beschermingsplaat die de bestuurder en de brandstoftank van de motor afschermt. De beschermingsplaat moet een minimum dikte hebben van 1/8” aluminium of 0,60” staal of titanium. De plaat moet van de bovenkant van de blower tot aan de onderkant van de pully lopen en minimaal 1” breder zijn dan beide pully’s van supercharger auto’s. Andere auto’s dienen een beschermingsplaat te hebben die van schouder hoogte tot aan de bodem loopt.

TEKENING 4:3

4:4 Frames

Alle stootlassen moeten zichtbaar versterkt zijn (door middel van kragen of rozet lassen). Het onder druk brengen van een frame, rolbar of rolkooi of het gebruiken als luchtopslag is verboden. Als er gaten in een frame worden aangebracht dienen er zichtbare versterkingen te worden aangebracht ook in de rolbar of –kooi dient dit te gebeuren. De versterkingen dienen minimaal dezelfde afmeting te hebben als het gat met een minimale dikte van 0,049” chroom molybdeen rondom het gat. Kijk ook bij 4:10 rolbars en 4:11 rolkooien.

4:5 Grondspeling

Aan de voorzijde dient er minimaal 3 inches speling te zijn tussen onderkant wagen en de grond ter hoogte van de voorwielas dient de grondspeling 12” te zijn, de rest van de wagen dient een grondspeling te hebben van 2” behalve het carterdeksel en de uitlaat. Ook de wheeliebar hoeft niet aan de 2” maat te voldoen.

4:6 Röntgencertificaten

Door de technische inspecteur kunnen röntgencertificaten gevraagd worden van alle veranderde of gelaste delen.

4:7 Bevestigingsmiddelen

Slangklemmen en ty-raps mogen alleen gebruikt worden ter bevestiging van slangen en kabels, alle andere onderdelen moeten worden gelast, geschroefd of luchtvaartklemmen e.d.

TEKENING 4:8

4:8 Parachutes

Als er is omschreven in het klassement dat er een remparachute dient te worden gebruikt, dient deze parachute gemaakt te zijn door een erkende dragrace parachute fabrikant. Technische inspecteurs kunnen de goede werking van een parachute testen en controleren bij de voertuig inspectie en controleren op versleten of verbrande lijnen, versleten, gerafelde of gescheurde parachutes. Het openen van de parachute moet via een hendel gebeuren die stevig is bevestigd aan het frame ook de bedienings kabel dient na minimaal 1” te zijn vastgezet aan het frame. De bedienings kabel mag aan de parachute kant op 12” vastgemaakt zijn en op zo’n manier dat de binnenkabel de parachute kan laten ontvouwen. Als een auto op nitro-methaan loopt of van een supercharger is voorzien dient de parachute en de lijnen door brandwerend materiaal te worden afgedekt. De parachute dient een eigen bevestigingspunt te hebben. Het gebruik van kogellager pinnen is niet toegestaan, zie de klassenreglementen. Wanneer er twee parachutes worden toegestaan dienen beide parachutes een eigen bevestiging te hebben.

4:9 Pinion ondersteuning

Alle auto’s die gebruik maken van een open achteras dienen drukstangen of een andere vorm van pinion ondersteuning te hebben, dit om meedraaien van het cardanhuis te voorkomen. Het wordt aanbevolen om een stalen torsiebuis met een minimum wanddikte van 1/8” te gebruiken om open achterassen af te schermen.

4:10 Rolbeugel (Roll Bar)

Alle rolbars dienen niet verder dan 6” van de achter- en de zijkant van de auto te zijn gemonteerd. De rolbar moet minimaal 3” hoger zijn dan de helm van de bestuurder als deze normaal in de auto zit. Verder dient de breedte van de rolbar minimaal de schouderbreedte van de bestuurder te zijn of niet meer dan 1” van de bestuurdersdeur. De rolbar dient stevig genoeg geconstrueerd te worden en verstevigd te zijn door middel van dwars- en hoogte verbindingen. Zodat doorbuigen niet kan gebeuren. Verder dient de rolbar zodanig bevestigd te worden dat de rolbar niet voor- of achterover kan slaan. De verstevigingen die dit moeten voorkomen dienen van de zelfde diameter en wanddikte te zijn als de rest van de constructie. De topaansluiting mag niet verder dan 5” van de bovenkant van de rolbar zitten. De zijbeugel dient aan de bestuurderskant tussen schouder- en elleboog hoogte te zijn aangebracht.

TEKENING 4:10

Alle voertuigen met standaard frame moeten de rolbar bevestigen aan het frame. Unibody auto’s hoeven de rolbar niet aan het frame te bevestigen als de body standaard vloerplaten en beschermplaten heeft (wielkasten zijn toegestaan). Men kan de rolbar dan bevestigen met platen van 6” vierkant staal met een minimum dikte van 0,125” die aan beide zijden van de vloerplaat aan elkaar gebout worden met minimaal vier 3/8” bouten en moeren, of vastgelast te worden aan het hoofdframe met verstevigings platen van staal met een minimum dikte van 0,125”. Het lassen van 4130 chroom molybdeen dient met een goedgekeurd TIG-lasapparaat te gebeuren. Het lassen van zacht staal mag met een MIG-lasapparaat worden uitgevoerd. De lassen dienen vrij van slak te zijn maar mogen niet worden afgeslepen of gevijld. De rolbar moet afgeschermd worden met zacht materiaal overal waar de helm in contact kan komen met de rolbar. Het dempingmateriaal moet minimaal ¼” ingedrukt kunnen worden.

4:11 Rolkooi (Roll cage)

Alle constructies die ontworpen kunnen worden dienen tot doel te hebben de bestuurder rondom te beschermen. Het lassen van 4130 chroom-molybdeen dient met een goedgekeurd TIG-lasapparaat te gebeuren. Het lassen van zacht staal mag met een MIG-lasapparaat worden uitgevoerd. De lassen dienen vrij van slak te zijn maar mogen niet worden afgeslepen of gevijld. De rolbar moet afgeschermd worden met zacht materiaal overal waar de helm in contact kan komen met de rolbar. Het dempingmateriaal moet minimaal ¼” ingedrukt kunnen worden. Competition, Dragster, Funny car, Pro stock en Top fuel dempingmaterialen dienen te voldoen aan SFI specificatie 45.1. (zie tekeningen op de pagina’s 14 & 15)

Open auto’s (zie tekeningen)

Als de bestuurder van een open wagen normaal in de auto zit dient de rolbar minimaal 3” voor en boven de helm van de bestuurder uit te komen. Als de auto niet is voorzien van een dwarsbalk boven de benen van de bestuurder dienen er- tussen of platen aangebracht te worden, zodanig dat de benen van de bestuurder niet buiten de wagen uitsteken. Bij dragsters met voorliggend gemonteerde motoren dient de kooiconstructie zodanig te zijn gemaakt dat de bestuurder te allen tijde door de kooi wordt beschermd. Als er een rechte lat langs twee frame buizen wordt gelegd mag er geen contact gemaakt kunnen worden met de bestuurders stoel of welk onderdeel van het compartiment dan ook. Om dit te bereiken kunnen er tussenspijlen worden geplaatst totdat dit wordt bereikt. Motorsteunen en achteropstaande rolbarbuizen mogen van vierkant buis zijn met een minimale afmeting van 1 ¾”.

Dichte auto´s (zie tekeningen)

Bij dichte auto’s moet de helm van de bestuurder als hij normaal in de auto zit voor de hoofdbuis van de rolkooi zitten. Als de helm van de bestuurder onder of achter de hoofdbuis zit moeten er extra beschermingsbuizen worden aangebracht van dezelfde dikte en diameter als de rolkooi. De hoofdbuis mag voor- of achterover geplaatst zijn zolang de bestuurder maar voldoende bescherming wordt geboden. Alle kooien moeten voorzien zijn van een dwarsbalk die op de hoogte van de schouders of maximaal 4” daaronder zijn bevestigd. Alle achterwaartse steunbuizen dienen onder een minimum hoek van 30° ten opzichte van verticaal worden geplaatst. De zijbuizen moeten langs de bestuurder lopen op een hoogte tussen de schouder en de elleboog. Tenzij er een standaard framebuis onder of schuin naast de bestuurdersvoeten zit(bijvoorbeeld zoals bij een Chevy ’55 of een Corvette ’65) dient er een drempel of een rockerstang aangebracht te worden. Dit is verplicht voor elke auto met aangepaste bodemplaten of een aangepaste rockerbuis. De rockerstang dient beneden en naast de voeten te worden aangebracht en worden bevestigd in het chassis, het hoofdframe of het sub-frame. De rockerstang mag niet worden bevestigd aan een wegklappende zijbuis. Losse zijbuizen zijn toegestaan in standaard dichte wagens die eindtijden rijden op de 400 meter van niet sneller dan 7.50 sec. Alle Dragsters, Funny cars en andere auto’s die een Dragster of Funnycar achtige kooi-constructie hebben moeten aan de volgende test voldoen: indien er met een vlak voorwerp langs de buizen wordt gegaan en de helm wordt tegen de buizen aangedrukt dan mag de helm niet in contact komen met het vlak. Als aan dit criterium niet wordt voldaan dienen extra buizen of strips aan gebracht te worden tot dat dit criterium wel gehaald wordt. De bij te plaatsen buizen dienen minimale diameter te hebben van ¾” de strip dient minimaal 0,090 dik en ¾” breed te zijn.

DIVERSE TEKENINGEN

4:12 Wielbasis

De minimum wielbasis is 90”, uitgezonderd als de auto de motor op de originele plaats heeft en korter is als standaard. De maximum wielbasis variatie is 1”, of anders aangegeven in klassenreglement.


Artikel 5 WIELEN EN BANDEN

5:1 Banden

Banden worden visueel gecontroleerd op algehele staat, bandenspanning en dergelijke. De technische staat van de banden moet defect vrij zijn voor iedere start. Alle straatbanden moeten een minimum profiel van 1/16” hebben is de auto sneller dan 11,99 sec. en heeft tubeless banden dan dienen de banden aan de velg te zijn geschroefd (voor en achter).

5:2 Velgen

Wieldoppen dienen te worden verwijdert voor de inspectie zodat gecontroleerd kan worden op losse moeren, versleten moeren, wiellagers en de staat van de wielassen. Wieldoppen die los op te klikken zijn, zijn niet toegestaan. Elke auto dient van wielen te zijn voorzien met een minimum diameter van 12” of indien anders vermeld in het klassenreglement. Motorwielen of lichtgewicht spaakwielen moeten zijn voorzien van stalen spaken met een minimum dikte van 0,100” en de wielen dienen gespaakt te zijn voor maximale sterkte. Alle spaakgaten dienen te zijn afgedekt. Elke vorm van gewichtsvermindering is niet toegestaan. De spaken dienen minimaal de diameter van de spaken in de spaakmoeren te worden bevestigd. De spaken en moeren dienen van staal te zijn. De maximum velgbreedte is 16”. In geen enkele klasse zijn wieldoppen voor de achterwielen toegestaan.


Artikel 6 INTERIEUR

6:1 Bestuurders compartiment

In alle dichte auto’s waar de bestuurder achter de motor zit dient het bestuurderscompartiment te zijn gemaakt van onbrandbaar materiaal en mag er geen magnesium in verwerkt zijn. De bestuurder dient volledig afgeschermd te zijn van de motor en de transmissie. Alle gaten in de beschermingsplaten dienen te worden afgedekt door aluminium of staal. Alle openingen rondom kabels, leidingen, stuur, pedalen en dergelijke dienen zo klein mogelijk te zijn. Zie ook algemeen reglement 7:5.

6:2 Bekleding en stoelen

De stoel van de bestuurder dient zodanig gemaakt te zijn dat het de bestuurders rug en schouders goed ondersteund. De bestuurdersstoel dient door middel van stoelframe of dwarsbalk verstevigd te zijn. Behalve zoals aangegeven in het SFI reglement dienen alle stoelen bevestigd te worden met vier bouten, moeren en ringen aan de bodem en met 1 bout aan de achterzijde in de dwarsbalk. Het toepassen van kogellager-pennen is niet toegestaan. Alle stoelen moeten zijn bekleed of het klassenreglement of SFI specificaties moeten anders aangeven. Goed verstevigde stoelen van aluminium, polyester, fiberglas of carbonfiber zijn toegestaan. Enkellaags glasvezel stoelen moeten zijn voorzien van een stalen frame met framebuizen van een minimum dikte van een ½” ter ondersteuning. Aluminium stoelen moeten een verstevigde hoofdsteun hebben. Magnesium stoelen zijn niet toegestaan.

TEKENING 6:2

6:3 Raamnet

Een net van banden of een net van touw volgens SFI specificatie 27.1 is verplicht in dichte auto klassen waarin rolkooien zijn verplicht. Een raamnet dient stevig bevestigd te worden aan de binnenzijde van de kooi, met een vaste bevestiging aan de bodem. Alle bevestigingspunten dienen voor de bestuurder veilig te zijn aangebracht en voorkomen dat de bestuurder in aanraking kan komen met de baan of vangrail. Het doorboren van banden is niet toegestaan of de gaten moeten door de fabrikant zijn aangebracht.


Artikel 7 BODY

7:1 Reclame

De wedstrijdleiding behoudt zich het recht voor om reclamereglementen op te stellen en regels hiervoor te gaan toepassen.

7:2 Spoilers en vleugels

Spoilers, tunnels en vleugels die niet standaard zijn aangebracht mogen alleen worden toegepast bij open voertuigen zoals Dragsters en Street roadsters, of indien in het klassenreglement aangegeven. Er dient in een stevige manier van bevestiging te zijn voorzien. Er mag zich geen onderdeel dichter dan 6" bevinden van het achterwiel. Er mogen geen veerbelaste spoilers of vleugels worden gebruikt. Het tijdens de rit aanpassen van de stand van spoilers en vleugels is niet toegestaan. Noot: een spoiler dient direct op de body gemonteerd te worden zodat lucht alleen via de bovenzijde kan langs stromen. Een vleugel dient op poten of steunen geplaatst te worden zodat er lucht boven- en onderdoor kan stromen. Vleugels en spoilers dienen met bouten van minimaal ¼" te worden vastgezet.

7:3 Wedstrijdnummers

Alle voertuigen die starten in wedstrijden dienen te zijn voorzien van wedstrijd-nummers. Voor auto’s geldt een minimale nummergrootte van 6 bij l 1/2 " op de zijkant van de auto. De klasse-indicatie dient minimaal 3 bij 1" zijn. De nummers dienen goed leesbaar in een contrasterende kleur te worden aangebracht of in een lichte kleur op de ramen. De nummering dient door middel van plakletters of verf te worden aangebracht en op een zodanige plek te zijn aangebracht dat de nummers door de wedstrijdleiding te lezen zijn.

TEKENING 7:3

7:4 Spatborden

In de Superstock en standaard klasse dienen de voor- en achterzijde van het spatbord zodanig te worden afgerond dat er voldoende ruimte is voor de banden. Met een maximum opening van 2". Alle voertuigen dienen afgeronde of omgeslagen spatbordranden te hebben. Overhangende spatborden zijn verbrede spatborden en zijn niet toegestaan of het klassenreglement moet dit aangeven. Voorspatborden mogen niet ‘afhangend’ zijn of het moet in het klassenreglement zijn aangegeven.

7:5 Schutbord

Elk voertuig dient te zijn voorzien van een beschermplaat met een minimum dikte van 0.032" aluminium of 0.024" staal. De beschermplaat moet van zijkant tot zijkant lopen en van de bovenkant van het motor­compartiment tot aan de bodemplaat of de carterpan. De beschermplaat dient een schot te vormen tussen de bestuurder en de motor en de brandstoftank. Alle openingen dienen te worden afgedicht met metaal, in sommige omstandigheden mag hiervoor glasvezel, aluminium, carbon fiber of andere kunststof worden gebruikt. Controleert dit in het klassenreglement of vraag het aan de keurmeester. Het gebruik van magnesium is niet toegestaan.

7:6 Vloeren

Alle auto’s zonder vloeren moeten zijn voorzien van vloerplaten van staal of aluminium en moeten het bestuurders­compartiment tot achter de bestuurders stoel afdekken. Voertuigen uitgerust met kunststof vloeren of vloerplaten dienen extra metalen vloerplaten aan te brengen. Er dienen steun balken aangebracht te worden van minimaal 2" vierkant met een wanddikte van 0.083" waarop de bestuurdersstoel en veiligheidsriemen dienen te worden aangebracht. De extra aangebrachte vloerplaten dienen van gaten te zijn voorzien zodat er geen ophoping van vloeistoffen of vuil kan ontstaan die eventueel brandgevaarlijk kunnen worden.

TEKENING 7:6

7:7 Hood Scoop

Op dichte auto’s mag een Hood Scoop niet meer dan 11" uitsteken boven het standaard dak. Bij open auto’s met voorliggende motor mag de Hood Scoop niet meer dan 11" boven de carburateurs uitsteken. De Scoop mag maar één inlaatopening hebben. Kijk in het klassenreglement voor verdere beperkingen.

7:8 Windscherm

In open auto’s of elke klasse zonder windscherm mag een metalen of van elk ander brandwerend materiaal gemaakt windscherm worden gebruikt. De minimum maat is 5 bij 12 inch. Het windscherm moet wind, vloeistoffen of alle andere materialen over de bestuurder heen leiden en stevig bevestigd zijn en zodanig geplaatst zijn dat het, het uitzicht van de bestuurder niet belemmerd.

7:9 Voorruit en ramen

Als een wagen volgens het klassenreglement moet zijn voorzien van ramen of een voorruit dient deze te zijn gemaakt van doorzichtig, helder en niet-getint veiligheidsglas, plexiglas, Lexan (Polycarbonate) of een ander niet versplinterend materiaal. Wel mag er getint veiligheidsglas worden gebruikt als die standaard door de fabrikant wordt geleverd. Er mag geen tape worden toegepast op voorruit en ramen.


Artikel 8 ELEKTRICITEIT EN BEDIENING

8:1 Accu

Alle accu’s moeten stevig worden vastgemaakt. Accu’s mogen niet verplaatst worden naar rijders of bijrijders compartimenten. Als de accu achterin geplaatst wordt dient er een beschermplaat te worden aangebracht van 0.024" staal of 0.032" aluminium. Ook mag de accu in een afgesloten metalen bak of een polyester bak worden geplaatst. De accu moet wel apart vastgezet worden aan het chassis met minimaal 2 3/8" bouten.

8:2 Vertragingsunits

Het is verboden vertragingsunits te gebruiken in superstock en standaardklassen en in sommige index klassen, zie klassereglementen. Een vertragingsunit wordt gedefinieerd als een apparaat dat elektronisch, hydraulisch, pneumatisch of mechanisch het loslaten van de remmen of de koppeling vertraagt en daarmee het wegrijden van een voertuig beïnvloed.

Voertuigen waarbij het niet is toegestaan van een vertragingsunit gebruik te maken: Het vervangen van kabels, solenoïdes, koppelingen en dergelijke die hetzelfde effect op het rijden van het voertuig hebben worden niet onder vertragingsunits verstaan en zijn daarom altijd toegestaan. Bij het gebruik van solenoïdes dient de bedrading te bestaan uit een enkele draad die rechtstreeks via een schakelaar de solenoïdes aanstuurt. Van deze draad mag er een tweede draad getrokken worden die een twee-traps solenoïde aanstuurt. Alle toegepaste schakelaars of knoppen dienen van normaal in de handel verkrijgbare types te zijn zonder ingebouwde vertraging. Alle bedrading van en naar de solenoïdes dient apart te lopen van de overige bekabeling en als zodanig herkenbaar zijn. Computer, sensor of relais bedrading mag niet worden meebedraad in de solenoïdes bekabeling. Alle toerental begrenzingunits mogen niet onder handbereik van de bestuurder geplaatst worden maar dienen het liefst in het motorcompartiment te worden ondergebracht. Elk systeem dat niet aan de boven beschreven omschrijving voldoet is niet toegestaan en moet worden aangepast voordat er gestart mag worden. Als er tijdens de keuring toch een vorm van vertragings apparatuur wordt ontdekt is dit reden om niet te mogen starten of gediskwalificeerd te worden en alle reeds behaalde punten van seizoen kwijt te raken. De wedstrijdleiding heeft het recht om eventuele andere straffen uit te delen.

Voertuigen waarbij wel gebruik gemaakt mag worden van vertragingsunits: Vertragingsunits mogen alleen een display hebben waarop de ingestelde vertragingstijd analoog of digitaal wordt aangegeven. Kijk de klassenreglement na op welke en hoeveel vertragingsunits gebruikt mogen worden. De vertragingsunit mag alleen de startsnelheid vertragen en als zodanig aangesloten word op het gas, de koppeling of de remmen. Het mag niet gebruikt worden om een datarecorder of andere apparatuur te voeden. De bedrading van de vertragingsunit moet volledig zichtbaar apart gelabeld en te volgen zijn voor de keurmeesters. Elk systeem wat niet aan de bovenvermelde omschrijving voldoet is niet toegestaan en moet worden verwijderd voordat het voertuig toegestaan wordt te starten. Als bij controle toch apparatuur wordt ontdekt die niet aan de gestelde eisen voldoet wordt de deelnemer onmiddellijk gediskwalificeerd en alle punter in voorgaande wedstrijden behaald kunnen ongedaan worden verklaard. Tevens kan een deelnemer voor de rest van het seizoen worden geschorst en de wedstrijdleiding is gerechtig andere maatregelen te nemen

8:3 Ontsteking

Elke auto moet een goed werkende start/stop schakelaar bezitten waarmee de ontsteking aan en uit kan worden gezet. De bestuurder moet deze schakelaar makkelijk kunnen bedienen. Tijdelijke contacten zijn verboden ook het gebruik van een magneet stopknop is niet toegestaan.

8:4 Hoofdonderbreker

Er dient een hoofdschakelaar op het voertuig aanwezig te zijn als de accu is verplaatst of als dit in het klassenreglement staat aangegeven. De schakelaar dient aan de achterzijde van het voertuig te zijn bevestigd en vanaf de buitenkant makkelijk te bereiken zijn. De hoofdschakelaar dient in de pluskant van het elektrisch circuit te zitten en de “uit” kant van de schakelaar dient goed zichtbaar te zijn gemarkeerd. Als de hoofdschakelaar van het trek/duw type is moet de duwrichting de plus onderbreken. Alle stangen of kabels die deze schakelaar bedienen dienen minimaal 1 1/8” diameter hebben. Op dragsters met achter-gemonteerde motoren dient de schakelaar achter de achterwielen te worden gemonteerd.

8:5 Starters

Alle auto’s moeten zelf gestart kunnen worden. Rollerbanken of duwstarts zijn verboden.

8:6 Achterlichten

Alle voertuigen van standaard tot aan de Competition klasse dient minimaal te zijn voorzien van een werkend achterlicht voor avondwedstrijden. Hiervoor mogen geen stroboscoop, knipperend, laser of infrarood lampen voor worden gebruikt. Zie verder het klassenreglement.


Artikel 9 HULPMIDDELEN

9:1 Computer

Alleen als er standaard in een auto een computer is geïnstalleerd wordt een computer die dient voor de besturing van de motor geaccepteerd. Elke computer die de auto beïnvloed is niet toegestaan. In bepaalde klassen is een standaard of via de handel verkregen elektronisch benzine injectiesysteem toegestaan. Alle bekabeling en sensoren dienen onderscheiden te zijn voor de keurmeesters. Een computer wordt gedefinieerd als elk apparaat dat (elektrisch,mechanisch, pneumatisch, hydraulisch en dergelijke) de werking van het voertuig beïnvloedt door meting, bewerking, voelen et cetera van data de werking van het voertuig beïnvloedt. Het weergeven of verzenden van gegevens naar de bestuurder is verboden (zie 9:2 data recorders). In de klassenreglementen staat vermeld of er door middel van tijd- of toerentalmeting automatisch geschakeld mag worden. Wel dienen alle instellingen voor de run te worden ingesteld. Op het display mag ook alleen de ingestelde waarde digitaal of analoog worden weergegeven. De keurmeesters mogen eisen dat bepaalde apparatuur voor de run wordt verwijderd.

9:2 Datarecorder

Datarecorders mogen alle gegevens van een voertuig opnemen zolang de datarecorder geen handelingen aan het voertuig verricht. De datarecorder mag niet door middel van gas, koppeling, of rempedaal worden gestart ook mag de recorder niet gestart worden door de kerstboom, radiozenders of de positie op de baan. De recorder dient apart aangeschakeld te worden. Verder mag er geen vijfde wielmeting plaats vinden ook niet van de rolbar. Alle leidingen die druk, doorstroming van olie of brandstof meten dienen van staal of staal-ommanteld zijn. Het weergeven of verzenden van gegevens naar de bestuurder is verboden. De data mag alleen na de run worden bekeken door middel van een computer uitdraai of het afspelen van de opgenomen data. Elk apparaat dat helpt bepalen waar het voertuig zich op de baan bevindt of waar de tegenstander zich bevindt zijn verboden. Alleen standaard geplaatste spiegels mogen worden toegepast. Het ontdekken van een apparaat dat een van de bovenvermelde gegevens wel doorgeeft aan de bestuurder kan reden zijn tot diskwalificatie, het aftrekken van alle in dat seizoen vergaarde punten en het verbod voor dat seizoen nog aan wedstrijden deel te nemen. Verder houdt de wedstrijdleiding zich het recht voor om extra maatregelen te nemen.

9:2a Telemetrie

Het verzenden van telemetrie gegevens van een bepaalde categorie professionele machines met het enige doel nationale TV-uitzendingen mogelijk te maken die aan de wedstrijdleiding-criteria voldoen zijn toegestaan. Aanvraag voor telemetriezenders dient schriftelijk aan de wedstrijdleiding te worden toegestuurd. Een schriftelijke toestemming van de technische commissie is verplicht.

9:3 Brandblussers

In bepaalde klassen is het noodzakelijk om een brandblussysteem in de auto te hebben. In andere klassen is het aanbevolen dat elke deelnemer en/of zijn ploeg in het bezit is van een werkende brandblusser en een branddeken in de racewagen of de volgwagen. C0 2 – of koolzuurbranders met minimum grootte van 2,5 pond worden aanbevolen. Indien een brandblusser in een racewagen is geplaatst moet hij stevig verankerd zijn. Het gebruik van kliksluitingen is verboden. Brandblussystemen moeten met de hand worden bediend in funny cars. De brandblusopeningen moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder wordt beschermd. Flessen, leidingen en kabels moeten binnen het frame gemonteerd zijn. Als kabels langs de motor of het cardanhuis lopen moeten de kabels binnen in het frame worden gelegd. Brandblussers moeten DOT goedgekeurd zijn en vast gemonteerd zijn (niet door middel van slangklemmen of ty-raps). Als er meer dan één brandblusser wordt gebruikt moet elke brandblusser een eigen leidingsysteem hebben. Het gebruik van flessen, sproeiers of leidingen anders dan door de fabrikant aanbevolen is niet toegestaan. De brandblussers dienen zo bevestigd te worden dat als er een explosie of een ander mechanisch mankement plaatsvindt zij beschermd worden tegen rondvliegende delen. Sproeierplaatsing is heel erg belangrijk. Twee sproeiers worden geplaatst voor de motor aan beide zijden en een sproeier wordt geplaatst in het bestuurderscompartiment naast de stuurkolom. Bij bediening van het brandblussysteem dient de inhoud van de brandblussers in zijn geheel te worden geledigd. Ook dienen de brandblussers zo geplaatst te worden dat ze niet in contact kunnen komen met de baan als er een wiel of band wordt verloren. Brandblussers dienen beschermd te worden tegen grote hitte. Bedieningskabels dienen van metaal te zijn of van plastic-ommanteld stalen kabels waarbij de aanwijzingen van de fabrikant dienen te worden opgevolgd ten aanzien van bochten en installatie. Alle brandblussystemen dienen stalen leidingen te hebben en stalen of aluminium sproeiers. Brandblussers dienen te zijn uitgerust met een drukmeter. Op alle brandblussers dient het bruto gewicht te zijn aangegeven. Het is de verantwoording van de bestuurder ervoor te zorgen dat de flessen voor elke wedstrijd worden gewogen.

9:4 Krikken en krikstanden

Er mag niet aan een wagen worden gewerkt in de pits als de auto maar op één krik staat. Extra veiligheidsmaatregelen zoals standaards zijn verplicht. Indien aan deze regel geen gehoor wordt gegeven is dit reden tot onmiddellijke diskwalificatie. Top Fuel, Funny Car, Pro Mod, Pro Stock, Top Methanol Dragster en Top Methanol Funny Car moeten gebruik maken van een draagframe dat wordt vastgemaakt aan het frame. Het gebruik van standaard krikken is verboden als er aan de auto wordt gewerkt terwijl de motor draait en het voertuig op de krik staat. Krikken dienen zo geconstrueerd te zijn dat er een minimale grondspeling van 7" wordt gemeten van de grond tot aan de achterbanden.

9:5 Lifthulpen

Elke vorm van mechanische, hydraulische of andere lifthulpen om de achterwielen van de baan te lichten tijdens de start is verboden.

9:6 Grootformaat trailers

Deelnemers die gebruik maken van een groot formaat trailer (18 wielers) moeten de deuren sluiten na in- of uitladen van de voertuigen. Ook dienen alle oprijdbruggen te worden verwijderd. De maximale lengte van een trailer mag niet meer bedragen dan 6,705 meter (22 voet).

9:7 Gasflessen

Alle onder druk staande flessen die gebruikt worden voor koppelingen, airshifters en dergelijke moeten voorzien zijn van een opschrift dat zij minimaal voldoen aan DOT 1800 of minimaal 124 bar. Alle gasflessen dienen stevig te worden bevestigd. Het gebruik van slangklemmen en ty-raps is verboden.

9:8 Aanduwen

Het aanduwen of aantrekken van auto’s voor de start is verboden.

9:9 Sleepwagen

Elk voertuig dat als sleepwagen wordt gebruikt moet het startnummer van de bestuurder op de wagen hebben. Er mogen maximaal zes ploegleden worden vervoerd in de sleepwagen. Ploegleden moeten zich in de wagen bevinden en niet op de achterkant of de spatborden staan.

9:10 Portofoon

Het gebruik van portofoons tussen de bestuurder en ploegleden is toegestaan in al klassen. Telemetrie is niet toegestaan voor het ontvangen van data of het uitvoeren van controle functies.

9:11 Opwarmen

De bestuurder van een wagen moet ten alle tijden normaal in de auto zitten als de motor loopt.

TOP FUEL EN FUNNY CAR

Als deze klassen gestart worden in de pits dient de wagen op de toegewezen plek staan. Race teams mogen de wagen niet achteruit het pits gebied in rijden om de wagen te starten. GEEN ENKEL ONDERDEEL VAN DE WAGEN MAG BUITEN DE TRAILER KOMEN ALS DE WAGEN GESTART WORDT. Als het team de laatste pits box gebruikt of de trailer schermt de wagen niet geheel af dan dient er een auto of sleepwagen naast de racewagen geplaatst te worden als de motor wordt gestart.


Artikel 10 RIJDER

10:1 Uitrusting

Alle ploegleden of deelnemers moeten volledig zijn aangekleed als zij aanwezig zijn in de staging- of startgebieden. Schoenen zijn verplicht. Het rijden met korte broeken, blote benen of blote bovenlijven is verboden.

10:2 Uiterlijk

Voertuigen die deelnemen aan een drag race ­evenement dienen te allen tijde een representatief uiterlijk te hebben. Als de keurmeester een wagen niet representatief vindt, mag hij hem afkeuren. Het uiterlijk van ploegleden is eveneens belangrijk en wordt op dezelfde manier beoordeeld.

10:3 Armbeveiliging

Indien verplicht in het klassenreglement moeten armbeveiligingen worden gedragen en op zo’n manier zijn afgesteld dat de handen van de bestuurder en/of de armen niet buiten de rolkooi kunnen komen. Armbeveiligingen moeten worden gecombineerd met veiligheidsgordels. Als de veiligheidsgordels worden losgenomen moeten ook de armbeveiligingen loskomen. Kijk hierbij naar de instructies van de fabrikant.

10:4 Papieren

Elke bestuurder is verplicht een KNAF- of een gelijkwaardige buitenlandse licentie te hebben. Tevens kan elke bestuurder van een voertuig dat aan de wedstrijd deelneemt in het bezit zijn van het Explosion lidmaatschap. Hij/zij krijgt korting op het inschrijfgeld.

10:5 Rijders veiligheidsgordels systemen

Er dient een snelsluitsysteem met 3" schouderharnas gebruikt te worden die voldoet aan SF1 specificatie 16.1 voor alle voertuigen die volgens de reglementen moeten zijn voorzien van een rolbar of rolkooi (het gebruik is toegestaan in alle andere klassen). Veiligheidsgordels dienen duidelijk gelabeld te zijn met de goedkeuringseisen SFI specificatie 16.1 en fabricatiedatum. Alle veiligheids-systemen moeten door een fabrikant zijn gebouwd. Auto’s die een standaard stoel gebruiken mogen de heupbanden langs in plaats van door de stoelen voeren. Er mogen alleen veiligheids gordels worden gebruikt waarbij alle vijf bevestigingspunten in een beweging kunnen worden losgemaakt. Als er gebruik wordt gemaakt van armbeveiligingen moet er een beveiliging zijn aangebracht die verhindert dat de hendel van de veiligheidsgordel per ongeluk kan worden bediend. Alle bevestigingspunten van de veiligheidsgordel dienen aan het frame of de dwarsbalk te zijn bevestigd. De veiligheidsgordel dient zo te zijn ingesteld dat het lichaam van de bestuurder wordt beperkt in zowel opwaartse- als voorwaartse richting. Veiligheidsgordels mogen niet rond de onderste framebuizen worden gedraaid. Onder geen enkele omstandigheid mogen er bouten door de riemen worden bevestigd. Controleer de fabrikantgegevens.

TEKENING 10:5

10:6 Hoofdbescherming

In elke auto met een rolbar of rolkooi moet een stootkussen zijn aangebracht dat voorkomt dat het hoofd van de bestuurder te ver achterover slaat om zo whiplash te voorkomen bij een ongeluk. De rolbar of -kooi moet overal worden bekleed waar de helm van de bestuurder de rolbar of -kooi kan raken. De bekleding moet minimaal ¼" ingedrukt kunnen worden of voldoen aan SFI specificatie 25.1. Het gebruik van tochtstrip anderszins dun en zacht materiaal is verboden. Een beklede rolbar of rolkooi is niet voldoende als hoofdbescherming of deze moeten binnen 4" van de bestuurdershelm zijn geplaatst. Een stoel met ingebouwde hoofdbescherming is ook toegestaan.

TEKENING 10.6

10:7 Helmen en brillen

(Dit reglement is afkomstig uit het NHRA Rulebook 2003, FIA Reglementen 2003 en SBF Reglementen 2003).

Zoals omschreven in de klassenreglementen dienen alle bestuurders van auto’s en motoren een helm te dragen die voldoet aan Snell of SFI specificaties of BSI BS 6658-85 type A (inclusief alle rechten) specificaties. Geaccepteerd wordt dat Snell K-98 gebruikt mag worden in plaats van een Snell M gemerkte helm.

SFI spec. 31.1A = Snell SA, open gezicht helm

SFI spec. 31.2A = Snell SA, integraal helm

SFI spec. 41.1A = Snell M, open gezicht helm

SFI spec. 41.2A = Snell M, integraal helm

Bestuurders van voertuigen in de klassen Super Street, Super Gas, Super Comp en ET auto´s sneller dan 13,99 seconden (maar niet sneller dan 7,50 sec) moeten een helm dragen die voldoet aan Snell 90, 95, 2000, K98, SFI 31.1A, SFI 31.2A, SFI 41.1A of SFI 41.2A specificaties. Uitzondering hierop zijn bestuurders van open wagens, voorzien van turbo- of supercharger, met voorliggende motor. Deze dienen een helm te dragen die voldoet aan Snell SA95, SA 2000, SFI 31.1A of SFI 31.2A specificaties.

Bestuurders van Top Fuel, Funny Car, Pro Mod, Pro Stock, Top Methanol Dragster, Top Methanol Funny Car en ET auto´s sneller dan 7,50 seconden moeten een helm dragen volgens Snell SA 95, SA 2000 of SFI 31.2A specificatie, behalve als anders vermeld wordt in de klassenreglementen.

Bestuurders van open wagens die een open gezicht helm dragen moeten ook een beschermende bril dragen. Aanpassingen aan helmen, vizieren of schermen zijn verboden. Alle helmen dienen te zijn voorzien van een keuringssticker.

10:8 Halskragen

Halskragen dienen gemaakt te zijn door een fabrikant die race halskragen fabriceert. Er zijn twee verschillende typen halskragen toegestaan en wel de 360 graden “donut” type en het “hoefijzer”-model, zie het klassenreglement welk type is toegestaan. Aanpassingen aan de halskragen zoals aangegeven door de fabrikant zijn toegestaan. Halskragen dienen te voldoen aan SFI specificatie 3.3 zoals omschreven in het klassenreglement.

10:9 Inzittende

Er mag niet meer dan 1 persoon in een voertuig aanwezig zijn tijdens een run. Alleen in auto’s die langzamer zijn dan 14 seconden is een duopassagier toegestaan. De duo­passagier dient een minimum leeftijd te hebben van 16 jaar. Alle inzittenden van sleepwagens dienen in de wagen te zitten als er met de deze wordt gereden. Als er een auto wordt gestart, of dit nu in de pits of in het startveld is, dient er een gekwalificeerde bestuurder in de auto te zitten. Indien aan deze regel niet wordt voldaan is dit reden tot diskwalificatie.

10:10 Beschermende kleding

Bestuurders dienen minimaal beschermende kleding te dragen die voldoet aan de volgende standaarden:

3.2A/20

3.2A/15

3.2A/5 of 1986FIA

3.2A/1 of 1986FIA

FC

TMFC

TF

TMD

PM

PS

CE

S/C

S/G

ET (7,50 – 9,99 sec)

SSC

ET (10,00 – 11,99)

Behalve zoals hieronder omschreven:

Superchargers, auto’s met voorliggende motoren en open auto’s of elke auto met een automatische versnellingsbak in het bestuurderscompartiment moeten beschermende kleding dragen die voldoet aan 3.2A/15. ledere bestuurder dient te zijn voorzien van een helmmuts, handschoenen en schoenen die voldoen aan reglement 3.2A/20 of schoenen die voldoen aan 3.2A/1 De pakken kunnen uit een losse jas en broek bestaan of een overall zijn. Zowel de jas als de broek dienen gelabeld te zijn. Alle handschoenen dienen aan de binnenzijde voorzien te zijn van een laag Nomex. Handschoenen met leren palmen die niet zijn voorzien van een laag Nomex zijn niet toegestaan. Bestuurders die in een open wagen rijden met een voorliggende motor en met een jethelm en beschermende bril rijden moeten een gezichtsmasker dragen. Bestuurders van alle open auto’s moeten vuurbestendige handschoenen dragen die voldoen aan SFI specificatie 3.3.

10:11 Veiligheidsgordels

Alle auto’s die volgens het klassenreglement niet hoeven te zijn voorzien van veiligheids­gordels die voldoen aan SFI specificatie 16.1 moeten zijn voorzien van een geaccepteerd snelsluitsysteem. De veiligheidsriemen dienen stevig te zijn bevestigd aan het frame of de dwarsbalk zodanig dat ze in een rechte lijn lopen. Veiligheidsgordels mogen niet om de onderste of om andere framebuizen worden gewikkeld. Gegoten stalen bevestigingen zijn toegestaan. Als bevestigingen zijn gemaakt van plaatstaal dienen deze een minimum dikte te hebben van 6,35 mm (1/4") en zijn voorzien van ronde hoeken, dit om te voorkomen dat de riemen worden doorgesneden. Er mogen onder geen enkele voorwaarde bouten door de riemen worden bevestigd. In auto’s met fiberglas vloeren dient een frame gelast te worden bestaande uit minimaal 2" vierkante buis waaraan de veiligheidsriem stevig kan worden bevestigd. Zie algemeen reglement 10:5.

You must be logged in to post a comment Login